maandag 23 december 2013

Mijnmuseum

Een deel van de pakkende kaskraker Marina  (waarover ik reeds een stuk op mijn blog schreef) werd opgenomen op de mijnsite in Beringen.Tijd dus om eens kijkje te gaan nemen en om mij verder onder te dompelen in ons Limburg Mijnverleden. 
Door de film had ik al een beeld in mijn hoofd over het leven van de mijnwerkers tijdens de jaren 50-60, nu wilde ik nagaan of dit beeld strookte met de werkelijkheid.
In Beringen zijn de sporen van het mijnverleden nog sterk aanwezig. De vroegere mijnzetel is haast volledig bewaard en is een pareltje van industriële archeologie. De mijnterrils zijn dan weer omgebouwd tot wandelgebieden. Bij het binnenwandelen van het terrein valt mijn blik meteen op de statige hoofdschachten van de mijn. Ik krijg al rillingen wanneer ik eraan denk dat er mensen elke dag vele honderden meters diep moesten afdalen in deze schachten.
Eens in het museum maken we op een interactieve manier kennis met het leven en werken in en rondom de mijn. Zo krijgen we een iPod die informatie geeft bij de verschillende foto’s en andere objecten, verspreidt over de negen zalen. Elke zaal heeft telkens een ander thema als vertrekpunt, bv. het werk ondergronds, het leven in de cité, de woelige sluitingsperiode, de toekomstplannen op de cité,...
Die iPods lijken me handig voor leerlingen, die liever dan al de plakkaten en infoborden te lezen een audiovisuele samenvatting horen, ingesproken door een expressieve verteller.
Voor de ondergrondse simulatie is er een gids aanwezig, maar voor grote groepen zijn er speciale programma’s die op voorhand kunnen gereserveerd worden. Zo kan je op voorhand een educatief computerspel downloaden over het mijnwerkersberoep om het daarna aan de ‘lijve  te ondervinden met een gids en ondergrondse simulatie.
De eerste foto in de inkomhal vond ik al direct zeer indringend. De donkere, benauwende ruimte gaf al een preview van wat we gingen ontdekken over het werk in de mijn...


Steenkool het zwarte goud

In de inkomhal verkrijgen we ook meer info over steenkool of anders gezegd het zwarte goud.Steenkool was de motor van de industriële revolutie ( C.a. 19de eeuw) en gaf een grote stimulans aan de mijnen. Met de uitvinding van de stoommachine stijgt de vraag naar steenkool spectaculair. Vanaf dan wordt steenkool een onmisbare grondstof voor de staalindustrie en dit tot diep in de 20ste eeuw.
Vandaag de dag behoort de steenkoolindustrie in West-Europa tot de verleden tijd, maar landen als China, VS, Australië en Rusland zijn nog steeds grote steenkoolproducenten. Deze mijnen zijn nog lang niet zo veilig en gemoderniseerd als in de jaren '70 en '80 hier het geval was. De veiligheidsmaatregelen laten de wensen over met meerdere ongevallen tot gevolg in. Nu nog werken mensen dus in harde, onveilige omstandigheden zoals dat bij ons in de vroege jaren van de mijnindustrie het geval was.De steenkoolindustrie blijft dus bestaan door de energiezucht van landen zoals China, ondanks zijn milieuvervuiling ( steenkool stoot immers het grootste aantal broeikasgassen uit!) en het inzetten van hernieuwbare energiebronnen zoals windenergie.
Steenkool en de steenkoolmijnen waren dan ook jarenlang de hoofdwerkgevers in Limburg.

In de jaren '50 kwamen er pas nieuwe industrieën. In 1954 vestigde Philips zich in Hasselt en in 1962 kwam er de Ford autofabriek. Desondanks bleef de mijnbouw tot diep in de jaren 80 een belangrijke werkgever. Dan barst de bubbel echter en is een sluiting onvermijdelijk (zie verder).

Nu, vele jaren later heeft Limburg opnieuw te maken met een sociaal drama, want de ook de Ford fabriek sluit in 214 definitief de deuren. Toch kan je de sluitingen niet echt met elkaar vergelijken. Er is veel strijd geweest bij de mijnsluiting( zie verder) en de werknemers hebben toen toch een grote slag thuisgehaald. Er werd een vergoeding verkregen, die omgerekend naar vandaag, 2,5 miljard bedraagt. De helft daarvan ging naar de mijnwerkers. Om deze reden en het feit dat er nog meer werkgelegenheid was in de fabrieken, vielen de werknemers niet zo snel in een zwart gat, ook al viel een belangrijke industrietak weg. Dit is nu wel het geval, gezien de economische situatie in onze streek. Voor elke werknemer zijn er twee kandidaten.



Voor het tot een sluiting waren de mijnen echter nog tot diep in jaren 80 de dominante werkgever. Er werkten duizenden mensen in de mijnen, terwijl voor de komst van de mijnen onze streek dunbevolkt was. Maar in de mijn waren er mijnwerkers nodig, véél mijnwerkers. Daarom werd er massaal gerekruteerd en neemt de bevolking snel toe.
Waar vonden de werkgevers dan mensen die dag in dag uit in deze harde omstandigheden wilden werken?

Herkomst van de mijnwerkers
Antwoord? Voor een stuk in het buitenland.
Bij een momentopname in 1980 werkten er 11.929 Belgen en 7.398 buitenlandse arbeidskrachten; die hoofdzakelijk uit Turkije, Italië en Marokko afkomstig waren, in de Limburgse mijnen. Procentueel is dat een verhouding van 61,72 % VS.. 38;28 %.De werknemers waren zowel van binnen en als buitenland dus, maar het verschil is dat 97% van de buitenlandse krachten ondergronds te werk waren gesteld, terwijl er onder Belgen een beter evenwicht hiertussen was. Het vuilste werk, werd dus voor een merendeel door de buitenlandse krachten uitgevoerd.
De eerste immigratiegolf vond plaats van 1992 tot 1940. Toen er vanaf 1922  in de mijn van Beringen gestart werd met steenkool naar boven te halen was er immers veel nood aan ondergronds werkvolk. Hiervoor rekruteerden de mijnen aanvankelijk in de regio: zowel seizoenarbeiders als pendelaars worden aangetrokken. Daarnaast werden ook ervaren Waalse mijnwerkers aangetrokken om in de Limburgse mijnen te komen werken.Toch blijkt dit niet voldoende en startten de mijnen met het rekruteren van buitenlandse arbeidskrachten. 6500 gastarbeiders werken omstreeks 1930 al in de Limburg. Ze komen voornamelijk uit centraal- en Oost-Europa en Italië. De wereldwijde economische crisis van de jaren ’30 ( Grote depressie, die het gevolg was een bankencrisis en internationale crisis) doet de vraag naar steenkool dalen. Dit leidt tot een afvloeiing van personeel en de eis van vakbonden om vreemde mijnwerkers te vervangen door werkloze Belgen.
Tijdens de wereldoorlogen viel de tewerkstelling terug, maar na de oorlog draait de staalindustrie al snel terug op volle toeren en moet de steenkoolproductie ook omhoog.

Wanneer de krijgsgevangen uit de oorlog worden vrijgelaten, levert de aankomst van een nieuw contingent mijnwerkers-Italianen de oplossing.
In 1645 start dan de laatste grote migratiegolf. Ondanks dat er tijdens de steenkolencrisis van 1958 zeker 10 000 jobs verloren zijn gegaan, is er opnieuw een tekort aan mijnwerkers. Veel Belgische mijnwerkers verlaten immers de mijnen om in andere sectoren te aan de slag te gaan ( o.a. Ford). Deze keer wordt er gerekruteerd uit Turkije en Marokko.
Jarenlang trokken duizenden mensen dus naar de steenkoolmijnen in Limburg op zoek naar een nieuw leven voor zichzelf en hun families.
Door meer te weten te over dit proces begrijp kan ik het uitzicht en de situatie van Limburg veel beter begrijpen. Het zijn al die verschillende mensen en culturen die zich doorheen de jaren in onze streek hebben gevestigd, die Limburg maakten tot wat het nu is. Eén van de wanden in het museum gaf dit teken van verbondenheid van zoveel verschillende mensen en culturen heel pakkend weer.

Deze migratiegolven deden de bevolking van Limburgse steden zoals Genk vertwintigvoudigen tussen 1900 en 1961 ( deze enorme stijging heeft ook te maken met het feit dat Genk drie mijnen had).
Veel mijnwerkers komen terecht in de door de mijn gebouwde tuinwijken. De arbeidskrachten van buiten België brengen daarbij hun eigen tradities en gebruiken mee. Zo worden de tuinwijken of cités worden een multiculturele smeltkroes en een hechte sociale gemeenschap.
De hele samenleving was opgebouwd rond deze ene industrietak, want de mijn bepaalde alles: je werd geboren in het ziekenhuis van de mijn, ging naar school in een school van de mijn, je woonde in een huis van de mijn,... Door de sterke impact van de mijnen op het leven van de mijnwerkers beïnvloedde de mijn de persoonlijke geschiedenis van tienduizenden mijnwerkers en hun familieleden.
Dit samenhorigheidsgevoel heeft ook negatieve gevolgen, de woonwijken groeide immers uit tot uitgebreide, maar geïsoleerde woongemeenschappen. De mensen inwoners dragen hun bijnamen van citératten/citévolk met trots, maar andere durfden wel eens neer op hen te kijken. Maar in de mijn was er geen onderscheid, want onder de grond was iedereen zwart...
Dat de mijn in zoverre het sociale leven bepaalde kon ik me niet inbeelden. De mijndirectie neemt zelfs de organisatie van het sportieve en culturele leven in handen. Zo richten ze allerlei verenigingen op die later heel wat prestige bereiken, zoals de harmonie van Beringen. De directie had natuurlijk ook een verborgen agenda, ze wilde immers zo de bewoners tot een gemeenschap smeden en vermijden dat ze zich met minder nuttige activiteiten zoals een cafébezoek zouden bezighouden,..
Dit alles zorgt ervoor dat de mijnwerkers erg afhankelijk zijn van hun directies. De directie voert allerlei reglementen in, wat de mijnwerkers in een kwetsbare positie plaatst. Dat de invloed van de werkgevers ver kon gaan ontdekte ik al door de film Marina. Daar dreigt de vader van Rocco zijn huis te verliezen omdat hij arbeidsongeschikt wordt verklaard. De schrijnende scène waarin Rocco’s vader daarbij in tranen uitbarst omdat hij alles heeft gegeven aan de mijn, inclusief zijn gezondheid en alles daarbij voor niets lijkt te zijn geweest, is dus zeker niet over gedramatiseerd. Het lijkt uit het leven gegrepen,...
Een citaat dat heel erg sprekend en boeiend is hieromtrent, zeker voor mezelf als toekomstig leraar, is het citaat van Necati Yurdakul.
Op maandag 10 oktober 1973 ben ik in België aangekomen en op dinsdag moest ik naar school. Ik verstond geen enkel woord Nederlands en toch moest ik mee. Kort nadien heeft de directie beslist om alle Turkse en Marokkaanse leerlingen samen te zetten om hen een spoedcursus Nederlands te geven. Maar onder elkaar werd er niks anders dan Turks en Marokkaans gesproken en van Nederlands kwam niks terecht. Dan heeft mijn pa gevraagd me terug in een Nederlandse klas te zetten. Daar stemde directe mee in en een jaar later sprak ik al goed Nederlands. Het eerste jaar heb ik nog 62% gehaald en kon ik toch overgaan.
Het werk in de mijn: ondergrondse simulatie 
Als aanvulling op dit al interessante museumbezoek brachten we een bezoek aan de ondergrondsimulatie met een gids. We vertrokken in het cafeetje dat aan de site verbonden was. Daar zat onze gids, een ex-mijnwerker bij te praten met zijn ex-collega’s. Het feit dat onze gids zelf heeft gewerkt en geleefd in en rond de mijnen, vond ik een heel leuke troef. Doordat deze man erg beeldend kon vertellen en simulatieruimtes zeer authentiek leken, kon ik me een duidelijk beeld vormen van het werk in de ondergrond.
Nadat we de gesimuleerde( godzijdank!) mijnlift gepasseerd waren, kwamen we in allerlei simulatie ruimtes waar we uitleg kregen over de werkzaamheden en technische aspect van de mijn. Wat ik daar vooral van onthoud ik is dat je in de mijn eigenlijk voortdurend geconcentreerd en op je hoede moest zijn. Dom waren de arbeiders volgens mij allerminst, ze moesten met allerlei dingen rekening houden ( als er bv. een nieuwe mijngang moest worden gemaakt was dit een heel secuur proces, waarbij het dynamiet veilig verpakt en vervoerd moest worden, op strategische plaatsen gaatjes in geometrische figuren moesten worden gemaakt, rekening moest worden gehouden met gassen,...). Fouten konden desastreuze gevolgen hebben. Afgezien van de fysieke zware inspanning in een benauwde ruimte maakt dat het werk ook zeer belastend.
Er was het gevaar voor het brandbare en verstikkende mijngas en er was instortingsgevaar. In de
meeste gangen kon je tot mijn verbazing zelfs helemaal niet rechtstaan, integendeel zelfs, het waren meestal kleine doorgangen, waar een ietwat corpulente persoon enkel met veel moeite zou doorheen geraken. Om dan nog eens te denken dat het meermaals gebeurde dat er een gang instortte. Als je niet onder het puin bedolven raakte kon je alleen maar proberen kalm te blijven en aan het touw te trekken in de gang. Zo ging er een signaal af.  Er waren ook veel telefoons waardoor er snel hulp kon worden ingeroepen. Men probeerde de gangen natuurlijk zo goed mogelijk te stutten, eerst met dennenhout ( dit maakt lawaai wanneer het onder druk begint te breken) en daarna met metalen kappen, en pijlers.
Dé mijnwerker bestaat niet, ik leerde dat er vele functies waren ( schietmeester, later elektricien, opzichter, buizenlegger, spoorlegger, machinist,... ), maar kolenhouwer was zonder meer fysiek het zwaarste. In de beginjaren van de mijn moesten ze de steenkool met enkel een houweel en iets later een pikhamer uit de wanden kappen. Ik mocht zo’n pikhamer even vasthouden tijdens de rondleiding. Als de gids me niet gewaarschuwd had, had ik deze zeker laten vallen. Hij weegt immers meer dan 18 kg. Ik kon maar moeilijk geloven dat iemand het een hele werkdag kon volhouden om op zijn knieën met deze zware pikhamer steenkool te kappen. De gids deelde ook ons mee dat enkel de sterkste mannen dit maximum enkele jaren volhielden. Gelukkig werd het steenkoolkappen de laatste jaren van dat de mijnen bestonden een haast volledig gemechaniseerd proces, waarbij de werknemers toezicht hielden op de machines en ze onderhoudden, en eventueel bijstuurde bij foutjes ( als het steenkool niet juist viel bv.). Toch was niet alles rozengeur en maneschijn, want de machines brachten extra stof, lawaai en gevaar voor kleine ongevallen met zich mee.


Veel van deze machines liggen nu echter te vergaan in de diepe ondergrond, want de mijn van Beringen werd ondanks hevig protesten gesloten in 1987 ( en in 1992 uiteindelijk ook de laatste mijn in Zolder).  De sluiting kwam er omwille van economische redenen, steenkool was te duur en te vervuilend geworden, er waren goedkopere en meer zuivere energiebronnen. Op zich is er nog voor zeker 100 jaar steenkool in de Limburgse bodems. 

Het sluiten van de mijnen was zoals eerder aangegeven een zware klap. Er was bijna geen nevenindustrie in Limburg omdat de investeerders van de mijnen ook van buiten de streek kwamen ( Waalse steenkoolfabrikanten, Franse en Belgische industriële groepen uit de metaalsector). De overgang van een industriële naar post-industriële samenleving is hier in Limburg met vallen en opstaan gegaan. De gevolgen van de sluiting van de Ford fabriek tonen dit nog maar eens aan.

Conclusie
Ons mijnverleden heeft het huidige uitzicht van onze streek sterk mee bepaald. Net daarom vind ik dit zo’n zinvol onderwerp om rond te werken in de klas. Het heeft het potentieel om heel beeldend te werken aan thema’s zoals multiculturaliteit, immigratie enz.. Het kan op dat vlak veel vooroordelen wegwerken.  Als PAV leraar kan je er zelfs de nieuwe eindtermen natuurwetenschappen aan koppelen, door net als in mijn blog de energiebron steenkool te vergelijken met de huidige energiebronnen. Om te beginnen zou ik samen met de leerlingen de film Marina bekijken om hun interesse op te wekken ( een bundel opgebouwd via OVUR). Aan de hand van het levensverhaal van Rocco en het menselijk gezicht dat er wordt geplakt om de geïmmigreerde mijnwerkers, zullen de vooroordelen van de leerlingen sneller worden weggewerkt. De leerlingen zullen dan hoogstwaarschijnlijk warm gelopen zijn voor een bezoek aan de mijn waar de film deels werd opgenomen. Daar zien ze het persoonlijke verhaal dan in een bredere context en kunnen ze meer informatie krijgen. De bovenverdieping zouden ze zelfstandig aan de hand van de iPod en een bundeltje kunnen ontdekken en voor de ondergrondse simulatie zal de gids met zijn persoonlijke ervaring en anekdotes hen zeker kunnen boeien.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten